LIC Leer- en Innovatiecentrum

Toetsontwikkeling

Toets- en beoordelingsinstrumenten

Goede toetsen komen tot stand door het doorlopen van de toetscyclus (Expertgroep BKE/SKE, 2013). Deze cyclus beslaat 7 fasen, waarbij elke fase bijdraagt aan de kwaliteit.

Hieronder vind je korte uitleg per fase van de cyclus. In de toolkit toetsen vind je uitgebreide informatie. Wil je nog meer weten volg dan de module B van BDB+ (Basis Kwalificatie Examinering, BKE). Met deze module leer je toetsen ontwikkelen met de toetscyclus.

Toetscyclus
De 7 fasen van de toetscyclus, Expertgroep BKE/SKE (2013).

  1. Basisontwerp
  2. Construeren van de toetsmatrijs
  3. Construeren en normeren van de toets
  4. Afnemen en beoordelen
  5. Verwerken en analyseren
  6. Registreren en communiceren
  7. Evalueren en verbeteren

1. Basisontwerp

Toetsen hangen samen met de leerdoelen die zijn opgesteld en het gegeven onderwijs. Maar ook met het toetsbeleid van de academie of opleiding en het totale toetsprogramma dat een student gedurende zijn opleiding doorloopt.

De samenhang tussen leerdoelen, onderwijs en toets wordt constructive alignment genoemd. In deze fase worden keuzes gemaakt die de basis vormen voor het ontwerp van de toets.

De geformuleerde leerdoelen worden onder de loep genomen en leiden tot de keuze voor een passende toetsvorm. Taxonomieën en niveau-indelingen kunnen hierbij helpen.

2. Construeren van de toetsmatrijs

Een toetsmatrijs is een tabel waarin wordt aangegeven hoe onderdelen van de toets zijn verdeeld over de leerdoelen en op welke (cognitieve) niveaus er wordt getoetst.

De zwaarte van een leerdoel bepaalt de weging in de toets. De toetsmatrijs is een blauwdruk voor de toets en helpt bij de ontwikkeling ervan.

Hij blijft in principe meerdere jaren hetzelfde, waardoor de verdeling van vragen over leerdoelen voor toets, herkansing en toetsen in volgende collegejaren qua inhoud en niveau gelijkwaardig blijven.

3. Construeren en normeren van de toets

In deze fase worden de toetsonderdelen geformuleerd. Deze inhoud moet de leerdoelen en niveaus afdekken zoals in de toetsmatrijs is vastgesteld. De toets wordt geconstrueerd en gescreend: vragen voor een kennistoets en de opdracht voor
een competentietoets.

Elke toets kent een beoordelingsmodel. Voor kennistoetsen is dit een antwoordmodel, voor competentietoetsen een beoordelingsformulier.

Voor alle typen toetsen geldt

  • dat er gescoord wordt (hoeveel punten krijgt men per onderdeel en hoeveel punten voor de totale toets),
  • dat er een cesuur is (hoeveel van de maximaal te behalen punten moeten worden behaald voor een voldoende)
  • en een normering (welk cijfer bij welk aantal punten).

De normering en de cesuur staan vermeld op de toets of op het beoordelingsformulier en zijn hiermee inzichtelijk voor
de student.

4. Afnemen en beoordelen

Bij het afnemen van een toets is het belangrijk dat de condities waaronder deze wordt afgenomen zo betrouwbaar mogelijk zijn.

Allerlei zaken kunnen negatief van invloed zijn op het zuiver meten van de prestaties van de student. Zoals de plek
waar de afname plaatsvindt of de tijd die studenten ervoor krijgen.

Betrouwbaarheid blijft vervolgens een belangrijk criterium tijdens het beoordelen. Een goed uitgewerkt beoordelingsmodel kan de betrouwbaarheid van de beoordeling vergroten, maar er kan altijd sprake zijn van beoordelaarseffecten die de beoordeling positief of negatief beïnvloeden.

Kalibreersessies kunnen helpen om examinatoren op een meer gelijke wijze tot een beoordeling te laten komen door in gezamenlijkheid het beoordelingsmodel te bespreken en te expliciteren.

5. Verwerken en analyseren

Na afname van de toets is het zinvol om de resultaten van de toets tegen het licht te houden.

Resultaten zoals het slagingspercentage, gemiddelde cijfer en spreiding van de cijfers kunnen een eerste signaal afgeven om de toets verder te analyseren. Analyse kan aanleiding geven tot het aanpassen van de normering en cesuur, je onderwijs, je toetsopdracht of je beoordelingsmodel.

Bij een kennistoets met meerkeuze-items kan het programma Sonate meten of de toetsvragen van voldoende kwaliteit waren. Sonate meet de moeilijkheidsgraad van de items, de aantrekkelijkheid van de afleiders en het onderscheidend vermogen - oftewel, zijn het de goede studenten die de items goed beantwoorden.

6. Registreren en communiceren

Na de toetsanalyse worden de definitieve toetsresultaten geregistreerd. Vervolgens worden ze gecommuniceerd naar de studenten.

Slechts het communiceren van het resultaat is geen informatierijke feedback. In deze fase is het belangrijk om leergerichte feedback mee te geven aan de studenten. Op welke onderwerpen scoorden ze goed en op welke minder? Wat hebben ze nog nodig voor het volgende vak?

Leergerichte feedback bestaat uit feed-up, feedback en feedforward.

7. Evalueren en verbeteren

Bij de laatste fase van de cyclus wordt gereflecteerd op de gehele cyclus. Welke fasen gingen goed, wat kon er beter?

De conclusies die hieruit worden getrokken, kunnen invloed hebben op allerlei facetten: de toets, afname en beoordeling, samenwerking, leerdoelen, onderwijsactiviteiten, inzage- en feedbackmomenten enzovoorts.

Dit om de kwaliteit van het gehele onderwijs te verbeteren zodra de onderwijseenheid waar de toets bij hoorde opnieuw begint.

Laatst bijgewerkt op 20 oktober 2017.